DSCF0944
     

MaidenspeechMaidenspeech

U bent hier:
Egbert Schuurman
Maidenspeech
22 oktober 1983

Miljoenennota 1984 (18.100)
Algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting voor 1984 (18.100)

De heer Schuurman (RPF): Dank u wel, mijnheer de Voorzitter!

De stem van de Reformatorische Politieke Federatie wordt nu ook voor het eerst in deze Kamer gehoord. Uit de inhoud van mijn betoog zal wel blijken dat een lange traditie in ons volksbestaan opnieuw en misschien vernieuwd aan bod komt. Sinds met name de invloed van Calvijn heeft zich in dit land een reformatorische visie op de taak van de staat ontwikkeld. In confrontatie met de problemen van de huidige verzorgingsstaat blijkt dat deze visie uitermate actueel is. Daarom wil ik daaraan dan ook allereerst aandacht geven, zij het op een bespiegelende wijze, maar ik heb begrepen dat dit past bij het niveau van deze Kamer!

Over weinig bestaat zoveel eenstemmigheid als over de constate dat er met de verzorgingsstaat iets aan de hand is.

De crisis van de verzorgingsstaat blijkt uit de dereguleringswoede, uit de veroordeling van vroegere politieke resultaten als nonsens-politiek. Ook het propageren van het profijtbeginsel en de roep om privatisering benadrukken dat wij terug moeten van de weg van de toenemende overheidszorg. Het opkomen voor een bevorderingsstaat of een waarborgstaat, zoals sommigen dat noemen, alsmede het pleiten voor een zorgzame samenleving maken overduidelijk dat er voor een andere weg gekozen moet worden. Het gevaar is evenwel niet denkbeeldig dat dergelijke suggesties te veel aan de oppervlakte blijven, daarom voor een uitweg uit de huidige politieke crisis niet diep genoeg gaan en daarom uiteindelijk weinig te betekenen zullen hebben.

Het valt bij voorbeeld op dat de meeste suggesties op financieel gebied liggen. Uitwerking daarvan betekent dan ook niet meer dan een amendering of afslanking van de verzorgingsstaat. Voor een verantwoord regeringsbeleid dat ook perspectieven voor de toekomst biedt, is mijns inziens allereerst nodig in te zien waarom de verzorgingsstaat wel stuk moest lopen en wat daarvoor in de plaats moet komen.

In de geestesgeschiedenis van onze cultuur is reeds lange tijd de roep om een versterking van de overheidsinvloed aanwezig geweest. Van de staat wordt vooral dan veel verwacht wanneer de christelijke religie aan invloed gaat verliezen. Zo krijgt reeds voor de filosoof Hobbes in de 17e eeuw, wanneer hij het theïsme vaarwel zegt, de staat, zoals hijzelf zegt, de functie van een aardse god. Voor hem is de staat het centrum van het individuele en maatschappelijke leven. Wanneer naderhand een materialistische levens- en wereldbeschouwing de overhand krijgt, gaat de staat meer en meer functioneren als het religieuze centrum. Van de staat wordt verwacht dat hij zijn zorg uitstrekt van de wieg tot het graf.
Vooral na de tweede wereldoorlog kon door allerlei oorzaken de verzorgingsstaat pas goed uitgroeien. De meeste politieke partijen hebben hun actieve bijdrage aan dit proces geleverd. Zelfs vele kerken hebben bepaalde taken naar de staat afgeschoven en daarmee het verzorgingsproces versterkt. Als voorbeeld daarvan verwijs ik naar het maatschappelijk werk dat tot aan het eind van de zestiger jaren nog voor het grootste gedeelte in handen van de kerken was, maar sinds die tijd door de staat is overgenomen. Via professionalisering, schaalvergroting en financiering door de staat hebben de kerken zich dat belangrijke werk laten afnemen. Met talloze andere grote en kleine voorbeelden zou duidelijk te maken zijn hoezeer de staat is uitgegroeid tot een verzorgingsstaat.
Nu deze ontwikkeling niet langer vol te houden is en de wal het schip van staat keert, is het dringend noodzakelijk de vraag aan de orde te stellen wat de eigenlijke normatieve taak van de staat behoort te zijn. Een dergelijke principiële bezinning kan tot inzet worden van een vernieuwing van de politiek.

In de christelijke traditie is er altijd gewaarschuwd tegen de overmacht en de almacht van de staat. Sinds de reformatie is er vanuit de erkenning dat de staat een instelling van God is, een bezinning op de normatieve begrenzing van de staatstaak op gang gekomen. Daaraan hebben met name Calvijn, Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper hun bijdrage geleverd. Pas in de eerste helft van de 20ste eeuw heeft professor Dooyeweerd aan de Vrije Universiteit van Amsterdam in deze reformatorische lijn een systematische uitwerking van een christelijke staatsleer gegeven.

Het kenmerkende van de staat behoort volgens Dooyeweerd te zijn dat hij rechtsstaat is. Meer dan één heeft vervolgens in de lijn van Dooyeweerd na de Tweede Wereldoorlog de opmars van de verzorgingsstaat bestreden. Verschillende publikaties in AR-Staatkunde uit die tijd leggen daarvan getuigenis af. Ook in eigen kring werd daar echter weinig of niet naar geluisterd.

Hetzelfde kan gezegd worden van de omvangrijke studie van de toenmalige secretaris van de Antirevolutionaire Partij professor Van Riessen die in zijn boek De maatschappij der Toekomst - eerste druk in 1952 - waarschuwt tegen de toenemende collectivering van de staatsinvloed. Dat is volgens hem een ontwikkeling die de burgers in de verschillende levensverbanden van hun vrijheid in verantwoordelijkheid berooft. Tegelijk waarschuwde Van Riessen in die tijd al tegen een toenemende schaalvergroting, waarvan men wel veel welvaartsvruchten verwacht, maar die uiteindelijk de mensen meer en meer van de staat afhankelijk zullen maken, terwijl de staat onder invloed van die lasten zal bezwijken.

Ik zei reeds dat deze stemmen de ontwikkeling naar een verzorgingsstaat niet hebben kunnen keren. Nu momenteel de verzorgingsstaat in alle opzichten barsten en scheuren vertoont, is het interessant die visie op de rechtsstaat nader te onderzoeken en te actualiseren. Als ingangspoort daarvoor kan de reformatorische visie op de maatschappij dienen. Daarin spelen twee fundamentele beginselen een belangrijke rol. Het eerste is dat van de eigengeaardheid van elk samenlevingsverband. Het tweede beginsel is dat elk samenlevingsverband naar zijn aard de structuur van gezag en ontzag, van gezag en vrijheid moet erkennen en uitwerken.

De zin van deze structuurbeginselen is dat alle mensen in de verschillende verbanden hun vrijheid in verantwoordelijkheid behoren te beleven als coram Deo.
Mensen komen altijd in gemeenschappen voor: huwelijk, gezin, kerk, staat, school, bedrijf en allerlei maatschappelijke organisaties en verbanden. Voor elke gemeenschap gelden op een specifieke wijze de genoemde structuurbeginselen. Dat wil zeggen dat de structuren van deze gemeenschappen niet willekeurig tot stand komen. Deze structuren zijn voor-gegeven. De mens kan en mag deze structuren niet eigenmachtig bepalen. Wanneer men deze van God gegeven structuren miskent, loopt de mens daarvan op den duur steeds meer schade op. Deze structuren worden ook wel scheppingsstructuren genoemd. Men heeft daaruit de conclusie getrokken dat ze daarom conserverend zouden zijn en een progressieve politiek in de weg staan. Dat is een ernstig misverstand. Ingezien moet worden dat ze op menselijke vormgeving en positivering zijn aangelegd. Ze bedoelen in een dynamische uitwerking gezonde verhoudingen tussen mensen en hun verbanden te bevorderen en ontsporingen te voorkomen.

Voor verschillende gemeenschappen van mensen gelden verschillende verantwoordelijkheden. Dit werd altijd bedoeld wanneer in de christelijk-historische en antirevolutionaire traditie gesproken werd van de soevereiniteit in eigen kring. Geen enkele gemeenschap mag over de andere heersen. Samen hebben ze hun normatieve plaats onder de Wet van God. God is aller soeverein. Daarom mag bij voorbeeld de kerk niet heersen over de staat of het gezin.

Tegen deze verkerkelijking is terecht veel geprotesteerd. Maar op dezelfde gronden moet ook gewaarschuwd worden tegen de verstatelijking of een verpolitisering, wanneer de staat over andere gemeenschappen wil heersen. Dan ontbreekt het zicht op de juiste begrenzing van de taken van de verschillende levensverbanden.

Vanuit deze reformatorische visie op de maatschappij wordt ook de inhoud duidelijk wanneer gesproken wordt over de rechtsstaat. De begrenzing van de staatstaak is gegeven met de verantwoordelijkheid van de staat om de publieke gerechtigheid te bevorderen en daarin het algemene belang te dienen. De staat als rechtsgemeenschap heeft enorme bevoegdheden in het onderlinge verkeer in de samenleving. Onrecht van binnen en onrecht van buiten moeten worden bestreden. De overheid moet vanwege het algemene belang voorwaarden scheppen om de mensen in hun verschillende gemeenschappen en verbanden hun verantwoordelijkheden te kunnen laten dragen. Zeker in een dynamische maatschappij als de onze behoort de overheid niet alleen stimulerend en voorwaardenscheppend bezig te zijn, opdat ieder zijn cultuurtaken in verantwoordelijkheid kan aanvaarden en uitvoeren, maar ook behoort de overheid te anticiperen op moeilijke ontwrichtingen. De overheid behoort maatschappelijk kwaad terug te dringen èn te voorkomen.

Wanneer de overheid zich door deze normatieve taak laat leiden, is een vernieuwing van de rechtsstaat mogelijk en wordt een terugdringen bevorderd van wat niet tot de eigenlijke overheidstaak behoort. Om misverstanden te voorkomen, wil ik nadrukkelijk zeggen dat dit in geen enkel geval betekent dat we de klok terugzetten. We zullen niet terug moeten naar een economische individualisering, naar een brute, liberale, kapitalistische maatschappij, waarin ieder voor zichzelf moet zorgen. Het voorkomen van de hardheid van zo'n maatschappij behoort tot de taak van de overheid. Daarom zal de staat voorzover andere mogelijkheden zijn uitgesloten, juist vanwege de opdracht om recht te doen, blijvend moeten opkomen voor het zwakke, het misdeelde, de ontheemden en de vreemdelingen. Daarop behoort zich de blijvende sociale zorg van de staat te richten.

Deze sociale gerichtheid betekent eigenlijk een herziening van de algemene sociale zekerheid. Algemene sociale wetten zijn niet zo sociaal als de benaming wil doen voorkomen. Het ligt voor de hand dat het uitdijend subsidiestelsel dat de laatste tientallen jaren is ontwikkeld, eveneens aan een normatieve beoordeling moet worden onderworpen en dienovereenkomstig moet worden bijgesteld.

Het tweede structuurbeginsel, dat van gezag en ontzag en de juiste balans daartussen, is evenals voor andere gemeenschappen, ook voor de staat van actuele betekenis. De overheid wordt van Godswege geroepen haar gezag dienend uitte oefenen en daarbij te streven naar een maximale verantwoordelijkheid van de burgers, opdat de maatschappij zich in al haar veelzijdigheid kan ontplooien. Binnen dit kader valt de decentralisatie van de overheidstaken toe te juichen. Overigens zal de overheid er alles aan moeten doen om de normatieve structuur van gezag en ontzag te versterken. Wanneer deze normatieve structuur niet meer of steeds minder gehonoreerd wordt, zullen we de ernstige gevolgen daarvan ondervinden.

De structuur zal bij verwaarlozing of ontkenning zich op een verworden wijze laten gelden. Die ontwrichting demonstreert zich in onze tijd bij voorbeeld in de vele ontspringen van van het maatschappelijk leven middels allerlei acties. Een dergelijke situatie kan gemakkelijk chaotische en anarchistische gevolgen hebben. In landen hier niet ver vandaan zien we een ontsporing ineen tegenovergestelde richting, die van de ijzeren dictatuur.

Om aan dat dilemma van anarchie of dictatuur blijvend te ontkomen, behoort de overheid haar wettig gezag te handhaven en behoort dat gezag door de burgers te worden erkend. Wanneer de overheid met overtuigingskracht optreedt en zich bewust is dat haar gezag ten diepste dienen betekent, zal blijken dat er in ons land gelukkig nog vele gezonde krachten aanwezig zijn om de regering in dat streven te steunen.

Mijn beschouwing wil ik afsluiten met een aantal concrete vragen. In deze vragen tracht ik een toespitsing te geven van wat mijn fractie bedoelt met de versterking en bevordering van de rechtstaat.

1. Met de twee hoofdlijnen van het regeringsbeleid kan mijn fractie zich zonder moeite verenigen. Het derde spoor, dat van de arbeidstijdverkorting gepaard aan emancipatie en individualisering lijkt mij innerlijk tegenstrijdig en daarom zeer bezwaarlijk. Arbeidstijdverkorting kan in sommige opzichten en op bepaalde gebieden gewenst zijn om de werkloosheid te bestrijden, maar met het voorgestelde emancipatiebeleid bevordert de regering juist in een ander opzicht weer de werkloosheid.

Bovendien leidt dat gemakkelijk tot ontbinding van huwelijk en gezin. Emancipatie binnen deze gemeenschappen behoort tot de verantwoordelijkheid van de leden van deze
gemeenschappen. Het overheidsbeleid moet daarvan afblijven.
Veel erger is het echter dat soms de indruk wordt gewekt, dat de regering met haar beleid de eigen aard van huwelijk en gezin niet meer volledig erkent. Zij lijkt dan een emancipatie vàn deze verbanden voor te staan. In de miskenning van de kracht van huwelijk en gezin is er geen rem meer op de weg naar een geatomiseerde samenleving. De overheid zou juist met het oog op de versterking van de gezonde grondslagen van het volksleven voorrang in haar beleid moeten geven aan de bescherming van huwelijk en gezin. In deze gemeenschappen ligt uitzonderlijke kracht, omdat het geheel van die gemeenschappen meer is dan de som van de leden.

De toenemende roep om de genoemde individualisering zal zeker zo verwoestend werken als de vroegere economische individualisering. Bovendien legt de regering met dit beleid een extra belasting op het budget. Beter zou het zijn, deze financiën te gebruiken voor de bestrijding van werkloosheid van met name kostwinners en schoolverlaters. Wat is er overigens over van een vroeger gedane suggestie binnen de kring van het vorige kabinet om aan werkloze schoolverlaters, op grond van de verkregen uitkering, een sociale arbeidsplicht op te leggen? Werk is er immers genoeg.

Mocht het niet tot een dergelijke plicht komen, dan is het misschien te overwegen de weg van de vrijwilligheid te kiezen, met daaraan gekoppeld een differentiatie in het uitkeringsstelsel. Zij die zich niet willen inzetten voor gemeenschappelijke taken, zullen dan meteen minimale uitkering genoegen moeten nemen.

2. Ook de honorering van het tweede fundamentele beginsel van de rechtsstaat zou ik graag wat meer uitgewerkt willen zien in het regeringsbeleid. Ik doel daarmee op de dwang, vanuit het verleden, de verschillende samenlevingsverbanden in het democratiseringsproces te laten opgaan. Er is alles voor te zeggen dat mensen in meedenken en meespreken meer verantwoordelijkheid krijgen, maar een uitwerking van de normatieve structuur achterwege laten, komt ons duur te staan - en dit niet alleen in financieel opzicht. Als voorbeeld verwijs ik naar de democratisering van de universiteiten.

Lange tijd zijn door deze trend de universiteiten lam gelegd, omdat de eerstverantwoordelijken hun verantwoordelijkheid niet meer konden effectueren. Bij handhaving van die democratiseringsdwang lijkt nu de wal ook hier het schip te keren. Het resultaat is echter een geldverslindende bureaucratisering, die overigens eerder verstarrend dan bevrijdend werkt voor de universiteiten. Zou het niet veel verhelderen en tegelijk veel financiën besparen, wanneer de regering in haar beleid de eigenlijke taak van de universiteiten weer erkent en daarbinnen ruimte laat voor een opbloei van een gestructureerde verscheidenheid aan verantwoordelijkheden?

3. Een vrijmaking van de verzorgingsstaat en een terugdringen van zijn lasten zullen niet in een handomdraai gerealiseerd kunnen worden. De weg van een zieke verzorgingsstaat naar een gezonde rechtsstaat eist gemeenschappelijke diagnose en een door allen aanvaarde therapie.

In een permanent overleg met de sociale partners zou voorzichtig en met wijsheid, gepaard aan moed, nagegaan moeten worden, welke prioriteiten in de eerstkomende jaren gevolgd moeten worden. Interessant in dit verband is het, te weten wat de regering van de veel gehoorde klachten vindt, dat de financiële lasten van de AOW in de toekomst niet meer zijn te dragen. Welk beleid staat de regering hier op lange termijn voor ogen? Zal hier de algemeenheid van de voorziening, juist om het sociale karakter ervan te behouden, niet ter discussie moeten worden gesteld?

4. Tot slot: aandacht voor de rechtsstaat zal ook betekenen het hebben van aandacht voor een versterking van de internationale rechtsorde. Ik wil daarbij graag wijzen op drie actuele zaken. De eerste betreft de ontwikkelingssamenwerking. Bestrijding van armoede, honger en ziekte behoort, via een internationale rechtsorde, in de internationale politiek een eerste prioriteit te krijgen en te behouden. Moet dat niet voortdurend worden benadrukt en nagestreefd, vooral nu alle aandacht gericht lijkt te zijn op ons eigen hebben en houden?

Het tweede voorbeeld gaat over de bewapeningsproblematiek en nu eens niet over de kernwapens. Nu zich via biosynthetische weg, via de methode van de recombinant DNA-technologie, nieuwe mogelijkheden voordoen om nieuwe zeer verschrikkelijke chemische wapenen te maken, is het de hoogste tijd, nu het nog kan, om via internationaal overleg te komen tot een algeheel verbod.

Ten derde. Vraagt ook de invoering van volledige automatisering via de robotisering van de industrieën niet om de uitwerking van het internationaal arbeidsrecht om werkende mensen te beschermen tegen een ongebreidelde technische ontwikkeling en een harde nationalistische concurrentiestrijd?
Welke initiatieven denkt de regering voor deze vraagstukken te nemen?

Mijnheer de Voorzitter! Aan het eind gekomen van mijn beschouwing en de gestelde vragen, wil ik de regering veel wijsheid en vasthoudendheid toewensen. In een verantwoord beleid is zegen te verwachten van Hem in wiens dienst de overheid geroepen is. Ik ben de regering er erg dankbaar voor, dat deze afhankelijkheid opnieuw aan het eind van de Troonrede, na 10 jaren, wordt erkend.